Indiculus superstitionum et paganiarum

Binnenkort lees je hier over de achtste-eeuwse lijst met heidense gebruiken van de Indiculus superstitionum et paganiarum. De Latijnse tekst en Nederlandse vertaling staan hier al onder.

1. De sacrilegio ad sepulchra mortuorum.

Over heiligschennis bij de graven van de doden.

2. De sacrilegio super defunctos id est dadsisas.

Over heiligschennis over de doden, wat dadsisas heet.

3. De spurcalibus in Februario.

Over vuiligheden in februari.

4. De casulis id est fanis.

Over hutten, die schrijnen zijn.

5. De sacrilegiis per aecclesias.

Over heiligschennis in kerken.

6. De sacris siluarum quae nimidas vocant.

Over heiligdommen in bossen, die nimidas heten.

7. De hiis quae faciunt super petras.

Over datgene wat ze op rotsen doen.

8. De sacris Mercurii, vel Iovis.

Over de heiligdommen van Mercurius (Wodan) en Jove (Donar).

9. De sacrificio quod fit alicui sanctorum.

Over de offers voor sommige heiligen.

10. De filacteriis et ligaturis.

Over amuletten en bindsels.

11. De fontibus sacrificiorum.

Over offerbronnen.

12. De incantationibus.

Over toverspreuken.

13. De auguriis vel avium vel equorum vel bovum stercora vel sternutationes.

Over voortekenen door vogels, paarden, rundermest en niezen.

14. De divinis vel sortilogis.

Over waarzeggers en voorspellers.

15. De igne fricato de ligno id est nodfyr.

Over het wrijven van vuur uit hout, wat nodfyr is.

16. De cerebro animalium.

Over de hersenen van dieren.

17. De observatione pagana in foco, vel in inchoatione rei alicuius.

Over wat de heidenen zien in het vuur, en wanneer ze iets beginnen.

18. De incertis locis que colunt pro sacris.

Over onduidelijke plaatsen die ze als heilig beschouwen.

19. De petendo quod boni vocant sanctae Mariae.

Over [lievevrouwebedstro?] van de goede heilige Maria geheten.

20. De feriis quae faciunt Jovi vel Mercurio.

Over de feesten voor Jove (Donar) en Mercurius (Wodan).

21. De lunae defectione, quod dicunt Vinceluna.

Over de maansverduistering, die vinceluna heet.

22. De tempestatibus et cornibus et cocleis.

Over stormmaken, hoorns en bekers.

23. De sulcis circa villas.

Over voren rondom dorpen.

24. De pagano cursu quem yrias nominant, scissis pannis vel calciamentis.

Over de heidense loop genaamt yrias, met gescheurde vodden en schoenen.

25. De eo, quod sibi sanctos fingunt quoslibet mortuos.

Over dat ze zich een geliefde dode als heilig voorstellen.

26. De simulacro de consparsa farina.

Over het godenbeeld uit deeg.

27. De simulacris de pannis factis.

Over godenbeelden van vodden.

28. De simulacro quod per campos portant.

Over het godenbeeld dat ze door de velden dragen.

29. De ligneis pedibus vel manibus pagano ritu.

Over houten voeten en handen op heidense rite.

30. De eo, quod credunt, quia femine lunam comendet, quod possint corda hominum tollere juxta paganos.

Over dat ze geloven dat vrouwen de maan kunnen belezen, zodat ze mensen het hart kunnen uitnemen/verheffen.

Vertaling: naar Van Einatten en Van Lieburg[1]

Ook lees je hier binnenkort een analyse van Ondergetekende.


[1] Joris van Einatten en Fred van Lieburg, Nederlandse religiegeschiedenis (Hilversum: Verloren, 2006), 57. http://books.google.nl/books?id=noOPgJYg18QC&pg=PA57&source=gbs_selected_pages&cad=0_1#PPA57,M1
%d bloggers liken dit: