Korengeest

Waar: overal in de Lage Landen

De korengeest is een geest die in het graan huist en het golven van het graan veroorzaakt. In volksverhalen fungeert hij meestal als kinderschrik, gewoonlijk in het rogge. Kinderen die zich in of nabij het graanveld wagen, worden door de geest gepakt.[1] In de zuidwestelijke Lage Landen kan de korengeest ook hun tenen afsnijden.[2] De bloemen in het koren behoren de korengeest toe en mogen niet geplukt worden.[3]

De geest kan zowel mannelijk als vrouwelijk zijn; zo kent men in Groningen de roggemoeder en in Antwerpen en omstreken de korenpater. Het hoeft niet eens te gaan om een menselijk figuur; zo komt in Limburg ook de korenwolf voor. Hier vind je een kaart met verschillende namen die in de Lage Landen werden gebruikt.

Als het graan geoogst wordt, trekt de korengeest zich steeds verder terug, tot hij zich in het laatste hoekje bevindt. Dit geloof hangt samen met de tradities die bestonden rond het binnenhalen van de laatste schoof graan van de oogst. Die werd versierd met bloemen en takken en in optocht naar de boerderij gedragen. Op sommige plaatsen werd de laatste schoof vermenselijkt (in de Achterhoek heette de schoof bijvoorbeeld het “olde wief”), elders maakte men een dier van stro, zoals een haan of een haas. Het binnenhalen ervan ging overal gepaard met gezang, feest en drank.[4],[5],[6] Deze traditie bestaat in talloze culturen binnen en buiten Europa en doet sterk denken aan de achtste-eeuwse Indiculus superstitionum et paganiarum, waarin gerept wordt over “het (goden)beeld dat ze over de velden dragen.”

De tradities variëren van streek tot streek, maar meestal wordt de laatste schoof op de één of andere wijze bezield. Hier is de korengeest – voor zover hij nog als zodanig herkend wordt – geen kinderschrik meer, maar een gevierd onderdeel van het oogstfeest. Het element van tegenover elkaar staande machten bleef echter onder het oppervlak bestaan; zo werd in verschillende gebieden het dier gedood. Soms betrof het hier een dier van stro of gras dat aan stukken geslagen werd bij het dorsen, maar in andere gevallen ging het om een echt dier, dat geslacht en opgegeten werd.[7],[8] Wellicht is ook dit een vorm van het ‘temmen’ of ‘in huis brengen’ van de korengeest; zo werden bij het ‘doodslaan’ van een strooien haas de stukken meegenomen en bewaard. Het is ook wel geïnterpreteerd als het ritueel doden van de vegetatiegeest, opdat die het volgende jaar herboren kan worden.[9]

Als de laatste schoof geoogst werd, werd in sommige gebieden “de haas gevangen.”[10] Een andere traditie rond het oogsten dan wel dorsen van het laatste graan hield in dat de laatste maaier, binder of dorser een dier ‘werd,’ zoals een stier of een wolf, en deed alsof hij of zij de anderen wilde aanvallen.[11] Misschien is het hierom dat men de laatste schoof soms liet staan. Een andere mogelijkheid is dat het een offer was; in delen van Duitsland werd deze laatste schoof de vergôdendel genoemd, wat wel geïnterpreteerd is als ‘Vrouw Godens deel,’ oftewel het aandeel van Vrouw Gode, beter bekend als Vrouw Holle, a.k.a. Fria. Er lijkt inderdaad een connectie te bestaan met Wodan, Holle en de Wilde Jacht; denk aan de houwvrouw, waarvan gezegd wordt dat ze graanschoven omblaast. Jos Schrijnen maakt tevens de verbinding met het nog altijd bekende gebruik om hooi te geven aan het paard van Sinterklaas.[12]

De korengeest is daarmee niet alleen een kinderschrik, maar ook een onderdeel van oogsttradities die, ondanks het feit dat ze uit de negentiende en twintigste eeuw komen, een heidens tintje hadden. Met de mechanisering van de landbouw is de korengeest echter bijna geheel verdwenen.


[1] Zoals in deze Friese overlevering: http://www.verhalenbank.nl/items/show/15873
[2] Zoals in deze Zeeuwse overlevering: http://www.verhalenbank.nl/items/show/38970
[3] Zoals in deze Friese overlevering: http://www.verhalenbank.nl/items/show/20504
[4] Anne de Vries et al., Nederlandsche Volkskunde (Groningen: P. Noordhoff, 1931), 9-10. http://www.delpher.nl/nl/boeken/view?coll=boeken&identifier=MMKB05:000038302:00015
[5] L.W. Schuermans, Algemeen Vlaamsch idioticon (Leuven: Van Linthout, 1865), 109. Google Books
[6] K. ter Laan, Nederlandse Overleveringen (Zutphen: W.J. Thieme, 1932): 36-40. http://www.delpher.nl/nl/boeken/view?coll=boeken&page=2&identifier=MMKB18:007643000:00052
[7] Idem, 36-37.
[8] Antoon Viaene, “Uit den ouden taalschat,” Biekorf 38 (1932): 341-343. http://www.dbnl.org/tekst/_bie001193201_01/_bie001193201_01_0117.php
[9]
“Historie,” Stöppelhaene, bezocht op 10 augustus 2022, https://stoppelhaene.nl/sallands-oogstfeest/historie/
[10] Ter Laan, Nederlandse Overleveringen, 37.
[11] Idem, 38-39.
[12] Jos Schrijnen, Nederlandsche Volkskunde (Zutphen: W.J. Thieme, 1933), 324. http://www.delpher.nl/nl/boeken/view?coll=boeken&identifier=MMKB18:002950000:00362

Geef een reactie

%d bloggers liken dit: