Dwergen & reuzen

Dwerg

Waar: Germaanse wereld. Niet echt meer in de Lage Landen

Dwergen, tegenwoordig welbekend als goudminnende bergbewoners van gedrongen gestalte, komen eigenlijk nauwelijks voor in de volksverhalen van de Lage Landen. Hun bekendheid vandaag de dag is vooral te danken aan Tolkien, die teruggreep op de Noordse mythologie. Daarin zijn dwergen kunstige smeden met magische krachten. Ze leven in of onder de bergen en omringen zich met schatten. Ze bezitten vaak een grote wijsheid, maar zijn ook wellustige figuren. Oorspronkelijk waren ze niet per se klein; die eigenschap vindt men in de Scandinavische literatuur pas in de late middeleeuwen.[1]

Het feit dat dwergen nauwelijks voorkomen in de folklore van de Lage Landen, is wellicht te wijten aan het gebrek aan bergen in deze regio. Hier lijkt de dwerg opgegaan te zijn in de kabouter; in de weinige gevallen dat het woord dwerg genoemd wordt in een sage, vervult hij de rol van een kabouter als helpende hand.[2] Een kabouter is echter fundamenteel anders dan een dwerg: waar de eerste een huisgeest is, voornamelijk geassocieerd met mensen, is de tweede een ‘wilde’ geest, die onafhankelijk van de mens bestaat en handelt.

In de Nederlandse en Belgische folklore mag de dwerg dan zo goed als verdwenen zijn, in het verleden waren deze wezens hier wel degelijk bekend. In de Middelnederlandse literatuur is de dwerg een sterk, machtig wezen, vaak groot van gestalte. In de dertiende-eeuwse Roman van Torec van Jacob van Maerlant, bijvoorbeeld, komt een dwerg voor die jonkvrouwen ontvoert naar zijn berg, om er zijn bed te delen. Deze dwerg wordt omschreven als “groot” en enkele regels later wordt er naar hem verwezen met het woord “reus.”[3] In de (Neder)duitse middeleeuwse literatuur vinden we dwergen weer terug in de rol van smeden en schatbewakers.[4]

De dwerg was dus oorspronkelijk niet klein van stuk. De associatie met smeden, schatten en bergen lijkt vrij alomtegenwoordig te zijn – het laatste wellicht vanwege het rijm (in bijna alle Germaanse talen rijmen de woorden voor ‘dwerg’ en ‘berg’ op elkaar). Een ander terugkerend motief is dat van dwergen die vrouwen kapen – en wellicht echoot deze traditie door in het sprookje van Sneeuwwitje?

De herkomst van de dwerg is moeilijk te bepalen. Rudolf Simek houdt het op een oorsprong als doodsdemonen, misschien vermengd met een functie als natuurgeesten. De oorsprong van het woord dwerg is eveneens onduidelijk. Eén mogelijke etymologie leidt het woord terug op een Proto-Indo-Europese wortel die ‘schade’ betekent, volgens een andere verklaring is dwerg (ver) verwant met de Nederlandse woorden droom en bedrog.[5]

Zoals gezegd worden dwergen soms met kabouters vereenzelvigd. Ook met alven lijken dwergen zijdelings geassocieerd te worden, getuige de titel svartálfar, ‘zwarte alven,’ die in de Noordse mythologie soms voor dwergen werd gebruikt.[6] Volgens de Angelsaksen konden dwergen net als alven ziektes veroorzaken; in het Oudengelse genezingsrijm Wið Dweorh (‘Tegen een dwerg’) lijkt een dwerg dezelfde rol te spelen als een mare.[7] Toch vallen dwergen niet onder de houden/onhouden; het zijn autonome wezens die losstaan van de mens.


Reus

Waar: overal in de Lage Landen

Reuzen zijn, op veel manieren, tegenovergesteld aan dwergen. Als wezens van groot formaat hebben reuzen in de meeste volksverhalen een grote impact op hun omgeving. Ze zijn in staat alles te verwoesten wat ze tegenkomen, en dat doen ze vaak ook.[8] Het zijn vaak geen prettige figuren. Veel reuzenverhalen zijn ontstaan als verhalen over menselijke schurken, die in de loop der eeuwen tot reusachtige proporties werden opgeblazen.[9]

Naast zijn destructieve karakter heeft de reus echter ook een productieve kant. Is de dwerg een mythische smid, dan is de reus een mythische bouwer; een thema dat we niet alleen in Europa, maar over heel de wereld terugvinden. In de Noordse mythologie is een reus bijvoorbeeld de bouwer van de muur rondom Asgard.[10]

In volksverhalen uit de Lage Landen komen reuzen voor als de vormers van het land. Vooral van heuvels, wateren en grote zwerfkeien wordt vaak gezegd dat ze zijn ontstaan dankzij reuzen.[11] In andere verhalen geven reuzen– meestal onbedoeld – de namen aan steden en dorpen. Zo zou de naam Antwerpen afkomstig zijn van het werpen van de hand van een reus,[12] en heet Akkrum Akkrum omdat twee reuzen een kanaal niet recht konden graven, en tegen elkaar zeiden: ‘Ah, krom!’[13] Weer een ander nalatenschap van de reuzen zijn de hunebedden. Het lid hune­- hierin is afkomstig van Nederduits Hüne, ‘reus,’ dat in de 17e eeuw in het Nederlands werd overgenomen.[14]

In de Noordse mythologie zijn reuzen zoals gezegd grote bouwers. Ze zijn ook woeste wezens met een chaotische aard en wellustelingen die de godinnen roven, maar tevens bezitters van grote wijsheid.[15] In de loop der tijd verloren ze dat laatste, en in de volksverhalen uit de moderne tijd zijn de reuzen meestal niet bijster intelligent. In veel sprookjes, ook uit de Lage Landen, laat een reus zich door de mens bedriegen.[16] De meeste reuzen zijn mannelijk, maar vrouwelijke reuzen komen hier en daar ook voor. Volgens één overlevering waren de reuzinnen zo praatziek dat de mannelijke reuzen niet meer wilden trouwen, wat de reden zou zijn dat de reuzen uitstierven.[17]

Meestal behoren reuzen dus tot het (verre) verleden, maar in sommige verhalen worden ze ook in levenden lijve gespot. De reus is dan vaak een soort spookverschijning (zie ook witte juffer en spookhond), die niets zegt en plotseling weer verdwenen is.[18]

De herkomst van het woord reus is moeilijk te bepalen, maar het woord is vermoedelijk verwant met rijzen. Een andere mogelijkheid is dat het woord afkomstig is van een Proto-Indo-Europese wortel die ‘verhoogde plaats’ betekent.[19] Anders dan bij de dwerg lijkt het formaat van de reus dus altijd al een integrale eigenschap te zijn geweest.

Referenties
[1] Rudolf Simek, “Dwarfs,” in Dictionary of Northern Mythology, vert. Angela Hall (Cambridge: DS Brewer, 1993).
[2] Zoals in dit West-Vlaamse verhaal: volksverhalenbank.be/mzoeken/zoeken_Detail.php?ID=16934
[3] Jacob van Maerlant, Roman van Torec, r. 1620 – 1743. http://www.dbnl.org/tekst/maer002jtew01_01/index.php
[4] Bijvoorbeeld in de Thidrekssaga en in het Nibelungenlied
[5] Simek, “Dwarfs.”
[6] Ibid.
[7] Matthew Charles Lewis, “Dreaming of dwarves: Anglo-Saxon dream theory, nightmares, and the Wið Dweorh charm” (master thesis, University of Georgia, 2009), 39-40. esploro.libs.uga.edu/esploro/outputs/graduate/Dreaming-of-dwarves-Anglo-Saxon-dream-theory-nightmares-and-the-Wid-Dweorh-charm/9949333704802959
[8] Zoals in dit Friese verhaal: http://www.verhalenbank.nl/items/show/30101
[9] De beroemde Drentse reuzen Ellert en Brammert, bijvoorbeeld, begonnen in de 17e eeuw als moordenaars. verhalenbank.nl/items/show/43271
[10] Snorri Sturluson, Proza-Edda: Gylfaginning 42, http://www.voluspa.org/gylfaginning41-50.htm
[11] In Utrecht zijn de heuvels door reuzen gemaakt: http://www.verhalenbank.nl/items/show/21709
In Friesland zijn de kanalen door reuzen gegraven: http://www.verhalenbank.nl/items/show/24319
[12] Achtergrond van dit verhaal: http://www.verhalenbank.nl/items/show/126608
[13] Fries verhaal: http://www.verhalenbank.nl/items/show/27060
[14] M. Philippa et al., “Hunebed – (grafmonument uit het stenen tijdperk, dolmen),” in Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, deel 2(Amsterdam: Amsterdam University Press, 2005), http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/hunebed
[15] Jan de Vries, Altgermanische Religionsgeschichte, Bd. 1 (Berlijn: De Gruyter, 1970), 244-248. sci-hub.se/10.1515/9783110865486.209
[16] Zoals in dit West-Vlaamse verhaal: volksverhalenbank.be/mzoeken/zoeken_Detail.php?ID=16423
[17] Zoals in dit Nederlands-Limburgse verhaal: volksverhalenbank.be/mzoeken/zoeken_Detail.php?ID=10058
[18] Zoals in dit Belgisch-Limburgse verhaal: volksverhalenbank.be/mzoeken/zoeken_Detail.php?ID=1797
[19] M. Philippa et al., “Reus – ( gigantisch wezen),” in Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, deel 4 (Amsterdam: Amsterdam University Press, 2009), http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/reus1